AMLR en AMLA gaan de komende jaren veel veranderen in Europa. Er komt meer harmonisatie, één Europees regelgevend kader en een sterkere rol voor de Europese toezichthouder. Daarmee wordt een belangrijke stap gezet richting meer consistentie in de manier waarop anti-witwasregelgeving wordt toegepast, gecontroleerd en gehandhaafd.
Toch is het beeld niet compleet als we alleen naar Europa kijken. De Europese regelgeving vormt straks weliswaar de gezamenlijke basis, maar de praktische uitvoering blijft voor een belangrijk deel afhangen van de keuzes die landen zelf maken. Hoe wordt het nationale toezicht georganiseerd? Welke bevoegdheden krijgen toezichthouders? Waar komen verantwoordelijkheden te liggen? En waar zullen kantoren in de praktijk daadwerkelijk op worden gecontroleerd?
Juist op dat nationale niveau gebeurt momenteel veel. We vroegen onze country managers wat zij in hun markten zien. Vier landen laten zien dat de weg naar meer Europese harmonisatie er in de praktijk heel verschillend uit kan zien.
Spanje lijkt de Europese hervorming aan te grijpen als aanleiding om de nationale AML-architectuur grondig te herzien. Op 28 juli 2026 keurde de Spaanse regering een wetsvoorstel goed voor de oprichting van een nieuwe autoriteit: ANIFI (Autoridad Nacional de Integridad Financiera). De bedoeling is om verschillende taken die nu nog verspreid zijn, samen te brengen binnen één organisatie. Financiële inlichtingen, toezicht, inspecties en sanctiebevoegdheden zouden daarmee onder één dak komen te vallen. Ook moet ANIFI het centrale aanspreekpunt worden voor AMLA.
Voorlopig bestaat ANIFI echter nog niet. Het wetsvoorstel moet nog verschillende stappen doorlopen, waaronder publieke consultatie en parlementaire behandeling. Tot die tijd blijft SEPBLAC, de huidige Spaanse toezichthouder en FIU, actief en veranderen de bestaande meldingskanalen niet. Als ANIFI uiteindelijk wordt ingevoerd zoals nu voorgesteld, gaat het dan ook om meer dan een nieuwe naam of een administratieve wijziging. Het kan leiden tot een andere manier van toezicht, waarin het verzamelen van inlichtingen, het uitvoeren van controles en het nemen van handhavingsmaatregelen veel dichter bij elkaar komen te liggen.
De belangrijkste vraag voor de komende periode is daarom hoe ANIFI de nieuwe Europese regels straks in de praktijk gaat toepassen. Daarnaast zal ook duidelijk moeten worden hoe de overgang van SEPBLAC naar de nieuwe autoriteit wordt vormgegeven en wat dit concreet betekent voor kantoren die onder toezicht staan.
Frankrijk kiest voor een andere benadering, vooral binnen de advocatuur. Het nieuwe toezichtplan introduceert de Diagnostic d'Évaluation Obligatoire (DEO): een jaarlijkse verplichte zelfbeoordeling voor alle advocaten. De resultaten van deze beoordeling worden vervolgens gebruikt als onderdeel van het toezicht. Afhankelijk van de uitkomsten kunnen aanvullende controles volgen, bijvoorbeeld op basis van documenten of via een controle op locatie. Daarmee verschuift de nadruk deels van periodieke externe controle naar een model waarin kantoren en beroepsgroepen zelf structureel moeten kunnen aantonen dat hun AML-processen effectief functioneren. Het gaat dus niet alleen om de vraag of beleid en procedures aanwezig zijn, maar ook of deze in de praktijk werken.
Daarnaast is er in Frankrijk ook een nieuwe wettelijke verplichting op het gebied van opleiding. Op basis van het nieuwe Décret n° 2026-310 moeten advocatenkantoren ervoor zorgen dat zowel advocaten als medewerkers regelmatig worden opgeleid over hun LCB-FT-verplichtingen en de mogelijke sancties bij niet-naleving. Deze verplichting geldt vanaf het moment van indiensttreding en vervolgens op regelmatige basis. Bewijs van de gevolgde opleidingen moet bovendien worden bewaard en beschikbaar zijn in het geval van een controle. Dat maakt opleiding meer dan een losse complianceverplichting. Kennis en bewustwording vormen een belangrijk onderdeel van de vraag of een AML-framework daadwerkelijk effectief is. Een procedure kan op papier goed zijn ingericht, maar als medewerkers niet weten wanneer en hoe zij die moeten toepassen, blijft de praktische werking beperkt. Dat sluit aan bij een bredere ontwikkeling binnen compliance en toezicht. Toezichthouders willen steeds beter begrijpen hoe kantoren hun eigen risico's beoordelen, hoe zij controleren of maatregelen effectief zijn en hoe zij omgaan met tekortkomingen.
De vraag is dan ook of deze vorm van verplichte zelfbeoordeling, gecombineerd met een nadrukkelijke verantwoordelijkheid voor training en kennis binnen het kantoor, een Franse ontwikkeling blijft, of dat vergelijkbare vormen van self-assessment en voortdurende controle op termijn een grotere rol gaan spelen binnen het AMLR-toezicht in andere Europese landen.
In Nederland is een van de meest concrete veranderingen inmiddels al ingevoerd. Sinds 1 juli 2026 kan FIU-Nederland meldingsplichtige instellingen verplichten om een transactie tijdelijk op te schorten wanneer er sterke aanwijzingen zijn voor witwassen, onderliggende delicten of terrorismefinanciering. Instellingen zijn verplicht om een dergelijk verzoek op te volgen. De opschorting duurt maximaal vijf werkdagen. Wanneer FIU-Nederland optreedt namens een buitenlandse FIU, kan deze periode oplopen tot maximaal tien werkdagen. Dit betekent een belangrijke uitbreiding van de mogelijkheden van FIU-Nederland. De organisatie ontvangt en analyseert niet langer uitsluitend informatie, maar kan in bepaalde situaties ook directer ingrijpen om te voorkomen dat geld verdwijnt voordat verder onderzoek mogelijk is.
Voor meldingsplichtige instellingen heeft dit ook een praktische kant. Het is niet voldoende om processen te hebben voor het detecteren en melden van ongebruikelijke transacties. Organisaties moeten ook in staat zijn om snel en zorgvuldig te handelen wanneer een verzoek tot opschorting wordt ontvangen. Dat roept vragen op over interne verantwoordelijkheden, besluitvorming en uitvoering. Hoe snel kan een organisatie daadwerkelijk handelen? Wie is bevoegd om een transactie te blokkeren? En zijn de noodzakelijke processen ook buiten reguliere kantooruren voldoende duidelijk ingericht? Het zijn precies dit soort praktische aspecten die steeds belangrijker worden naarmate toezichthouders en FIU's meer mogelijkheden krijgen om direct in te grijpen.
België kiest vooralsnog niet voor de oprichting van een nieuwe centrale autoriteit. De belangrijkste veranderingen liggen daar vooral in de manier waarop bestaande toezichthouders zich voorbereiden op de nieuwe Europese regelgeving. De Belgische toezichthouders richten zich nu al sterk op de praktische toepassing van AML-verplichtingen. Daarbij is onder meer aandacht voor PEP-verplichtingen, nationale risicobeoordelingen en de gevolgen van de nieuwe Europese wetgeving.
Voor België draait de ontwikkeling daarom minder om de vraag welke nieuwe toezichthouder er komt en meer om de manier waarop bestaande toezichtsstructuren worden aangepast. Hoe kunnen controles consistenter worden uitgevoerd? Waar komen de prioriteiten te liggen? En hoe sluiten bestaande nationale praktijken straks aan op een steeds verder geharmoniseerd Europees kader? Ook hier blijkt dat uniforme Europese regels niet automatisch betekenen dat toezicht overal op dezelfde manier wordt ingericht. De wettelijke basis wordt steeds meer Europees, maar de praktische uitvoering blijft voorlopig sterk verbonden met nationale structuren en keuzes.
Deze vier voorbeelden maken duidelijk dat AMLR en AMLA vooral het begin vormen van een nieuwe fase. Europa zorgt voor meer harmonisatie en een gezamenlijk regelgevend kader. Tegelijkertijd zijn landen bezig met hun eigen voorbereiding op die nieuwe werkelijkheid. Voor organisaties die in meerdere Europese landen actief zijn, betekent dit dat een uniforme implementatie van AMLR op zichzelf niet voldoende is. De regels worden steeds meer gelijk, maar de manier waarop toezichthouders deze regels interpreteren, controleren en handhaven kan per land nog steeds verschillen. De relevante vraag wordt daarom niet alleen of een organisatie formeel aan AMLR voldoet. Minstens zo belangrijk is hoe nationale toezichthouders de nieuwe regels in de praktijk gaan toepassen. Waar gaan zij op controleren? Welke verwachtingen stellen zij aan organisaties? En hoe wordt bepaald of een AML-framework daadwerkelijk effectief is? Juist daar wordt de volgende fase van AML-compliance interessant.
De Europese regelgeving zorgt voor een gezamenlijke basis. Maar de manier waarop die regels in de praktijk worden vertaald naar toezicht en handhaving, wordt de komende jaren voor een belangrijk deel op nationaal niveau zichtbaar. En voor organisaties en kantoren is het juist die combinatie van Europese harmonisatie en nationale uitvoering die de komende periode nauwlettend gevolgd moet worden.